Transplantatiechirurgie

Medische encyclopedie

Operaties waarbij falende organen of weefsels worden vervangen door gezonde

In sommige gevallen kan een ziekte leiden tot het onherstelbaar falen van een belangrijk orgaan, zoals het hart, de nieren of de lever. Met dialyse (Dialyse (behandeling)) is de functie van de nier gedurende jaren over te nemen, maar het moet vaak gebeuren en kost veel tijd. Op de lange termijn is dan ook de vervanging van het zieke orgaan door een donororgaan vaak de beste therapie. Bij het falen van het hart of de lever kan een transplantatie zelfs de enige behandeling zijn die kans biedt op overleving, als het verlies van functie van het orgaan in een ver stadium is.

Er zijn veel organen en weefsels die voor transplantatie in aanmerking komen. Op dit moment zijn niertransplantaties heel gewoon en worden transplantaties van lever, hart, long, hoornvlies en beenmerg regelmatig uitgevoerd. Onderdelen van het maag-darmkanaal en de alvleesklier (pancreas) worden minder vaak getransplanteerd. Bij een en dezelfde operatie worden wel eens meer organen getransplanteerd, zoals bij een hart-longtransplantatie.

Transplantaties dienen niet alleen voor de behandeling van levensbedreigende ziekten, maar ook om de kwaliteit van leven te verbeteren als een aandoening niet dodelijk is. Iemand met bijvoorbeeld een beschadigd hoornvlies, waardoor hij veel minder ziet, kan een hoornvliestransplantaat ontvangen en zo zijn gezichtsvermogen terugkrijgen.

Transplantatie van organen en weefsels is alleen mogelijk als er op het juiste moment een geschikt donororgaan is en als de ontvanger van het transplantaat geen andere gezondheidsproblemen heeft die het herstel in de weg kunnen staan.

Donoren

Transplantaties worden gewoonlijk alleen uitgevoerd als de donor en de ontvanger dezelfde bloedgroep en weefseltypen hebben. Dat is noodzakelijk, omdat het afweer(immuun)systeem van de ontvanger ieder orgaan zal aanvallen dat wordt herkend als een ‘vreemd’ lichaam. Dit proces heet afstoting. De meeste orgaantransplantaten zijn afkomstig van personen die kort geleden gestorven zijn en die geen familierelatie hebben met de patiënt. Een uitzondering vormen beenmerg- en niertransplantaten, die kunnen worden afgenomen van levende donoren zonder dat die laatsten daar ernstig ziek van worden. Beenmerg wordt zelfs altijd van een levende donor genomen. Als het beenmerg of een nier afkomstig is van een levend, niet te ver familielid, vaak een broer of zus, dan is het risico dat de ontvanger het transplantaat afstoot veel kleiner, omdat de weefsels in meer opzichten op elkaar lijken.

In het geval van een orgaantransplantatie met een donor die juist overleden is, komt het donororgaan meestal van iemand wiens hersenfunctie onomkeerbaar gestopt is terwijl zijn overige organen bleven functioneren vanwege de ondersteuning door ziekenhuisapparatuur.

Tijdens de operatie

Bij de meeste transplantaties is een algehele narcose vereist (Algehele anesthesie (procedure)).

Bij een orgaantransplantatie wordt het transplantaat bij de donor weggehaald en in een zoute oplossing gekoeld vervoerd naar de operatiekamer. Door die manier van bewaren wordt de tijd dat het orgaan zonder bloedtoevoer kan, enkele uren gerekt. Daarna komt het donororgaan in de plaats van het zieke orgaan. Bij een harttransplantatie worden de grote bloedvaten aangesloten op een hart-longmachine die het bloed van zuurstof voorziet en het koolzuurgas eruit haalt zo lang de harttransplantatie duurt (zie Operatie met behulp van een hart-longmachine).

Voor een beenmergtransplantatie (Beenmergtransplantatie (behandeling)) worden cellen uit het midden van bepaalde botten van de donor genomen. Deze beenmergcellen worden via transfusie direct in het bloed van de ontvanger gebracht, wiens beenmerg even daarvoor vernietigd is. Een andere mogelijkheid is dat het beenmerg van de ontvanger zelf wordt afgenomen in een periode dat de ziekte waaraan hij lijdt niet actief is. Dat wordt dan ingevroren om later, als de ziekte weer actief wordt, te dienen voor transplantatie in het lichaam van dezelfde patiënt.

Na een transplantatie blijft de patiënt meestal enkele dagen op een intensivecareafdeling (Op de intensive care (omgeving)). Bij elke transplantatie, behalve die van het hoornvlies, moeten voor onbepaalde tijd immunosuppressiva (Immunosuppressiva) worden ingenomen om te voorkomen dat het afweersysteem het nieuwe orgaan of weefsel afstoot.

Als de transplantatie is gelukt, mag de patiënt meestal na een paar weken naar huis.

Risico’s

Evenals andere grote operaties hebben transplantaties de risico’s van grote bloedingen en bijwerkingen van de anesthesie. Verder is er een veel groter risico op infecties dan bij andere vormen van chirurgie vanwege de geneesmiddelen die nodig zijn om de natuurlijke afweer van het lichaam te onderdrukken. Het grootste risico echter is dat het getransplanteerde orgaan wordt afgestoten door het natuurlijke afweersysteem van de ontvanger en dat het daardoor niet functioneert.

Na een grote transplantatie wordt de overlevingskans significant groter als het eerste jaar na de operatie eenmaal voorbij is. Het blijft echter zo dat de overleving ervan afhangt of het orgaan niet alsnog wordt afgestoten en de ontvanger geen ernstige infectie oploopt.

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.