Een abnormale neiging van het bloed om in de bloedvaten te stollen
Bloedstolling treedt normaal alleen bij een beschadiging van een bloedvat op. Het stollingsproces berust op bloedplaatjes en op stoffen in het bloed die stollingsfactoren worden genoemd. Andere stoffen in het bloed voorkomen dat het bloed spontaan stolt en lossen stolsels op die toch zijn ontstaan. Als het evenwicht tussen de mechanismen die het stollen bevorderen en de mechanismen die dat tegengaan verstoord is geraakt, ontstaat de neiging tot overmatig stollen, trombose genoemd. Het risico van abnormaal stollen neemt ook toe als de bloedstroom ergens door wordt vertraagd.
Een te sterke neiging tot stollen is levensgevaarlijk. Een stolsel in een ader (zie Diepe veneuze trombose) kan losschieten en in de longen komen en daar een slagader verstoppen (zie Longembolie). Door stolsels kan ook een slagader in het hart verstopt raken met een hartaanval (Hartinfarct) als gevolg, of in de hersenen met een beroerte als gevolg.
Trombose kan het gevolg zijn van een aangeboren ziekte waarbij er sprake is van het ontbreken van een stollingsremmer (eiwit C of S of antitrombine III). Ook een erfelijke ziekte, factor V Leiden, waarbij een abnormale vorm van de stollingsfactor V wordt geproduceerd, of een min of meer soortgelijke aandoening in factor II kan ertoe leiden.
Bij de combinatie van gebruik van de pil en roken is de kans op trombose vanaf circa 35 jaar enigszins verhoogd.
Trombose kan ook worden veroorzaakt door een trage bloedstroom, bijvoorbeeld door te veel rode bloedlichaampjes (zie Polycytemie) of door een langdurige immobiliteit, zoals bij bedlegerigheid.
Als trombose in de familie voorkomt of als u een bloedstolsel krijgt, kan de arts bloedstollingstesten laten uitvoeren om stollingsremmers op te sporen.
Neem bij voorkeur geen medicijnen die oestrogeen bevatten (bijvoorbeeld orale anticonceptiemiddelen ofwel ‘de pil’).
- Geslacht
- Risicofactoren afhankelijk van de oorzaak
- Risicofactoren afhankelijk van de oorzaak
- Geen factor van betekenis
- Erfelijkheid
- Risicofactoren afhankelijk van de oorzaak
- Leefwijze
- Risicofactoren afhankelijk van de oorzaak
- Leeftijd
- Geen factor van betekenis