Verminderde vruchtbaarheid bij de vrouw

Medische encyclopedie

Een vrouw die niet in staat is van een normaal vruchtbare partner zwanger te worden

Bij ongeveer een derde van alle paren die niet zwanger worden, ligt de reden van de verminderde vruchtbaarheid bij de vrouw. Haar vruchtbaarheid neemt met de jaren af en is tegen haar vijfendertigste meestal vrij laag.

Wil er bevruchting plaatsvinden, dan zijn alle volgende stappen noodzakelijk: ovulatie (eiproductie en eisprong), bevruchting van de eicel door een zaadcel, vervoer van de bevruchte eicel door de eileider naar de baarmoeder en nesteling in de baarmoederwand.

De oorzaken

Er kunnen zich bij vrouwen diverse vruchtbaarheidsproblemen voordoen, die een of meer processen die nodig zijn voor de bevruchting negatief beïnvloeden, en ze kunnen in diverse stadia optreden.

Problemen met de ovulatie

Een veelvoorkomende oorzaak van verminderde vruchtbaarheid bij de vrouw is dat de eierstokken niet maandelijks een rijpe eicel produceren. Een veelvoorkomende en goed behandelbare oorzaak is het polycysteusovariumsyndroom. Stoornissen aan de schildklier, zoals hypothyreoïdie, kunnen ook de eisprong belemmeren. Aandoeningen van de hypofyse, zoals een prolactinoom, kunnen het hormonale evenwicht ook verstoren. Sommige vrouwen hebben om onduidelijke redenen niet altijd een ovulatie. Bij vrouwen die lang de anticonceptiepil hebben geslikt, kan het een tijdje duren voor de normale hormooncyclus zich weer herstelt. Te veel lichaamsbeweging, stress, overgewicht of ondergewicht kunnen ook invloed hebben. Ook een vroegtijdige overgang kan de reden zijn dat de eisprong achterwege blijft. Dit kan zonder aanwijsbare reden optreden of het gevolg zijn van operatie, chemotherapie of bestraling. In een enkel geval komen de eierstokken niet normaal tot ontwikkeling ten gevolge van een chromosoomafwijking, zoals het Turner-syndroom.

Beschadigde eileiders
Met contrastvloeistof zijn de baarmoeder en een eileider zichtbaar gemaakt. Eén eileider is geblokkeerd en onzichtbaar; de andere is versmald en scheefgetrokken.
Beschadigde eileiders
  1. Plaats van de blokkade in de eileider
  2. Scheefgetrokken eileider

Problemen met vervoer en bevruchting van de eicel

De tocht van de bevruchte eicel uit de eierstok naar de baarmoeder kan door beschadiging van een van de eileiders worden gehinderd. Deze schade kan komen door een eileiderontsteking, die weer het gevolg kan zijn van chlamydia of gonorroe. Dergelijke infecties hoeven geen symptomen te geven en treden soms pas aan het licht als er vruchtbaarheidsproblemen bestaan.

Endometriose kan ook veranderingen en verklevingen rond de eileiders veroorzaken, waardoor zaadcellen en een bevruchte eicel zich er niet doorheen kunnen bewegen.

Bij sommige vrouwen kan de eicel niet worden bevrucht, omdat het slijm van de baarmoederhals antistoffen bevat die het zaad van de partner doden.

Problemen met de innesteling

Hormonale problemen kunnen er ook toe leiden dat het baarmoederslijmvlies zich niet goed op een innesteling voorbereidt. Goedaardige aandoeningen die de baarmoederholte van vorm veranderen (zie Vleesbomen) en, zeer zelden, een aangeboren afwijking van de baarmoeder kunnen ook een goede innesteling verhinderen.

De behandeling

Uw arts zal informeren naar uw algehele gezondheid, uw levensstijl, uw medische voorgeschiedenis, uw menstruatiecyclus en uw seksleven, en zal een gynaecologisch onderzoek doen. Afhankelijk van de eerste bevindingen worden verdere onderzoeken en/of behandelingen afgesproken.

De meeste oorzaken kunnen tegenwoordig door onderzoeken aan het licht worden gebracht. U komt te weten of en wanneer u ovuleert (een eisprong hebt) door dagelijks te temperaturen en/of echoscopisch onderzoek. Als uw arts vermoedt dat u niet regelmatig ovuleert, volgt misschien aanvullend bloedonderzoek, bijvoorbeeld om het progesterongehalte te bepalen (dat na de eisprong stijgt). Als daar een reden toe is, kan de arts wat weefsel wegnemen uit de baarmoeder om dat op afwijkingen te controleren (zie TEST: Biopsie van het endometrium).

Als onderzoek aantoont dat er geen eisprong is, wordt vaak hormoononderzoek in het bloed gedaan om de reden daarvan te achterhalen; de arts kan u medicijnen voorschrijven om de ovulatie te stimuleren (zie Geneesmiddelen bij verminderde vruchtbaarheid). Is er wel een eisprong, dan is een volgende stap om uit te zoeken of uw partner voldoende sperma van goede kwaliteit produceert. Dit kan door een zaadmonster te laten onderzoeken (zie Zaadanalyse (test)), of door vlak voor de eisprong slijm van de baarmoedermond binnen een paar uur na gemeenschap te onderzoeken op bewegende zaadcellen.

Ovuleert u normaal en is het sperma van uw partner normaal, dan kan worden gekeken of er een probleem is waardoor de eicel en de zaadcel niet bij elkaar kunnen komen. Zo zijn soms antistoffen in het slijm van de baarmoedermond aanwezig, waardoor de zaadcellen slechter bewegen. Men kan u dan corticosteroïden (Corticosteroïden) voorschrijven om de productie van antistoffen te onderdrukken, of het zaad kan rechtstreeks in de baarmoeder worden geïnjecteerd om contact met het slijm te voorkomen (zie BEHANDELING: Kunstmatige inseminatie). Als dit allemaal niet werkt, kan uw arts u kunstmatige voortplantingstechnieken adviseren (zie BEHANDELING: Kunstmatige voortplantingstechnieken).

Ook worden de eileiders op doorgankelijkheid en de vorm van de baarmoederholte onderzocht. Meestal begint men met een hysterosalpingografie (HSG). Hierbij wordt contraststof via de vagina in de baarmoeder ingebracht, en terwijl dit doorgespoten wordt, vindt doorlichting plaats en worden enkele röntgenfoto’s gemaakt. Een ander onderzoek is een laparoscopie, waarbij een kijkbuis met een camera via de buikwand in de buikholte wordt ingebracht. Tegelijkertijd wordt dan via de vagina en de baarmoeder kleurstof ingespoten, zodat via de laparoscoop kan worden gezien of en hoe deze kleurstof door de eileiders in de buikholte terechtkomt. De behandeling is afhankelijk van de oorzaak. Afgesloten eileiders kunnen soms door microchirurgie worden hersteld, en endometriose kan met medicijnen worden behandeld, hoewel de vruchtbaarheid daardoor niet altijd verbetert (zie Geslachtshormonen en verwante middelen).

De prognose

Behandelingen voor verminderde vruchtbaarheidsbehandelingen verhogen veelal de kans op zwangerschap. Het slagingspercentage varieert naar gelang de oorzaak en het soort behandeling. Bij één op de drie vrouwen komt de ovulatie door medicijnen op gang, maar het vergroot daarbij ook de kans op het krijgen van een meerling. Microchirurgie ter behandeling van afgesloten eileiders heeft soms succes, maar de kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap neemt toe. Bij kunstmatige voortplantingstechnieken schommelt het succes rond 15 procent per individuele behandeling.

Risicofactoren

Leeftijd
Neemt met de leeftijd toe, komt vooral voor boven 35 jaar
Risicofactoren afhankelijk van de oorzaak
Erfelijkheid
Bij een enkele vrouw speelt een chromosoomafwijking een rol
Leefwijze
Risicofactoren afhankelijk van de oorzaak

Andere gerelateerde onderwerpen

U bevindt zich hier:

U gebruikt een verouderde webbrowser, wij raden u aan over te schakelen naar een van onderstaande moderne internetbrowsers.