Hoge bloeddruk, vocht vasthouden en eiwit in de urine tijdens de zwangerschap, in zeldzame situaties leidend tot epileptische aanvallen (stuipen) en coma
Zwangerschapshypertensie, ook wel pre-eclampsie, zwangerschapsvergiftiging of toxicose genoemd, komt bij ongeveer vijf à tien van de honderd zwangerschappen voor, meestal in de tweede helft van de zwangerschap. Het is een combinatie van hoge bloeddruk en overmatig vocht vasthouden en/of eiwitverlies in de urine. Lichte pre-eclampsie komt veel voor in de laatste weken van de zwangerschap en is goed te behandelen. Ernstige pre-eclampsie kan levensgevaarlijk zijn voor moeder en/of kind. Blijft behandeling achterwege, dan kan ernstige pre-eclampsie tot eclampsie leiden, ook wel zwangerschapsstuipen genoemd. Eclampsie kan dodelijk zijn.
De oorzaak van pre-eclampsie is nog niet duidelijk, maar kan deels de ontwikkeling van een immuunreactie van de moeder op de foetus zijn. Pre-eclampsie komt vooral voor bij eerste zwangerschappen, bij een volgende zwangerschap van een andere vader of bij een meerlingzwangerschap. Pre-eclampsie komt is sommige families vaker voor en komt vooral voor bij vrouwen jonger dan negentien of ouder dan vijfendertig jaar. Vrouwen met een chronische nieraandoening, diabetes mellitus of reeds bestaande hoge bloeddruk lopen een groter risico.
Aanvankelijk hoeft pre-eclampsie geen klachten te geven. Naarmate de aandoening langer aanwezig is, ontstaan klachten meestal geleidelijk, maar soms ook plotseling. Dit kunnen zijn:
- gezwollen voeten, enkels en handen, en sterke gewichtstoename en vocht vasthouden;
- hoofdpijn;
- gezichtsstoornis, zoals wazig zien en lichtflitsen;
- pijn in de bovenbuik, misselijkheid en overgeven.
Hebt u een van bovenstaande klachten, zeker als uw bloeddruk al wat aan de hoge kant was, aarzel dan niet uw verloskundige of huisarts te raadplegen.
Uw verloskundige of arts zal u bij elke controle op tekenen van pre-eclampsie onderzoeken en zal uw bloeddruk meten en eventueel controleren of u vocht vasthoudt. Controle op eiwit in de urine zit vindt veelal niet meer als routine plaats, en gebeurt meestal alleen bij een verhoogde bloeddruk. Indien er een zwangerschapshypertensie bestaat, wordt u verwezen naar de gynaecoloog.
De behandeling van pre-eclampsie hangt af van het stadium van uw zwangerschap en de ernst van de symptomen. Als u matige pre-eclampsie hebt en minder dan 36 weken zwanger bent, krijgt u waarschijnlijk rust voorgeschreven. Uw bloeddruk wordt dan regelmatig gecontroleerd om te bezien of deze niet verder stijgt. Hierbij is vooral de onderdruk van belang. Neemt deze ondanks rust toch toe, dan wordt u meestal naar de gynaecoloog verwezen. Zo nodig, afhankelijk van de bloeddruk, eventuele klachten en de groei van het kind, wordt u in het ziekenhuis opgenomen.
Tijdens de opname worden de conditie van moeder en kind regelmatig gecontroleerd. In ernstige gevallen kunnen er problemen ontstaan met de lever- en nierfunctie en de stolling. Verschillende medicijnen, waaronder middelen die de bloeddruk verlagen, kunnen worden toegediend. Soms is het noodzakelijk de zwangerschap voortijdig te beëindigen; indien dit voor week 33 noodzakelijk is, krijgt u injecties met corticosteroïden om ervoor te zorgen dat de longen van de baby rijp genoeg zijn voor de geboorte.
Als u bij week 36 of later pre-eclampsie krijgt, kan de gynaecoloog u adviseren de bevalling in te leiden. Of een keizersnede nodig is, hangt af van de situatie.
Bij eclampsie krijgt u per infuus medicijnen die de bloeddruk verlagen en geneesmiddelen om stuipen te bestrijden (magnesiumsulfaat of andere anticonvulsiva).
Als de pre-eclampsie wordt behandeld voordat er sprake is van een ernstige situatie, is de prognose meestal goed, al hangt deze onder meer van de zwangerschapsduur af. Als er eclampsie optreedt, lopen moeder en kind gevaar.
Hoge bloeddruk normaliseert meestal binnen een week na de bevalling, wel is er een verhoogd risico op hoge bloeddruk op latere leeftijd. Ongeveer één op de tien vrouwen krijgt in een volgende zwangerschap weer pre-eclampsie, maar veelal in minder ernstige mate.
- Leeftijd
- Komt vooral voor onder 19 en boven 35 jaar
- Geen factor van betekenis
- Erfelijkheid
- Komt in sommige families vaker voor
- Leefwijze
- Geen factor van betekenis