
Van de 185.000 kinderen die jaarlijks geboren worden, heeft 4 procenteen erfelijke aandoening of een aangeboren afwijking, zoals het .
De kans op het krijgen van een gehandicapt kind neemt toe naarmate de moeder ouder is. Om daar vooraf beter zicht op te krijgen, kunnen zwangere vrouwen laten doen. Daarin zijn verschillende mogelijkheden. Aan sommige onderzoeken zijn ook risico's verbonden. In deze aflevering gaan we in op de afwegingen voor en tegen elk van de verschillende onderzoeken.

Vroeger wist men pas na de geboorte of het kind gezond was of niet. Tegenwoordig bieden diverse methodes ons de mogelijkheid om voor de geboorte al te onderzoeken of het kindje gezond is.
De vraag is: Heeft men wel behoefte aan prenataal onderzoek? De een zal zeggen: ‘Nee, ik hoef het niet te weten, want ook al is mijn kind gehandicapt, het is en blijft het mijn kind en het is hoe dan ook welkom.’ Een ander wil het wel weten, bijvoorbeeld om voorbereid te zijn, of in andere gevallen de keuze voor een abortus te overwegen. Het is uiteindelijk een keuze die ieder voor zichzelf maakt.
Vrouwen moeten bewust en goed geïnformeerd worden. Zo kunnen zij zelf een keuze maken of ze wel of geen prenataal onderzoek wensen. Vanaf 2007 dient de (dit kan een zijn) aan de zwangere vrouw (en de partner) te vragen of zij informatie wenst over prenatale screening en diagnostiek. Als zij dit wil, dan moet de counselor (ongeacht de leeftijd van de vrouw) informatie over prenataal onderzoek geven.