Verloskunde is alle kennis en zorg rondom:
- de (aanstaande) zwangerschap;
- de hulp die bij de bevalling gegeven kan worden;
- de eerste tien dagen na de bevalling (het kraambed).
De twee belangrijkste beroepsgroepen in de verloskunde zijn verloskundigen, in sommige regio’s huisartsen, en ; elk heeft zijn eigen specifieke deskundigheid.

In de Nederlandse gezondheidszorg bestaat een onderscheid tussen de eerste en de tweede lijn. Eerstelijnszorg is makkelijk toegankelijke zorg dicht bij huis. Met de zorgverleners in de eerste lijn kan een cliënt of patiënt zelf contact opnemen, zonder verwijzing. Dat geldt bijvoorbeeld voor de huisarts, de tandarts en de eerstelijns verloskundige. Zij fungeren als poortwachter naar de tweedelijnszorg: de meer specialistische en duurdere zorg in het ziekenhuis en in de geestelijke gezondheidszorg. Verloskundigen werken zowel in de eerste lijn als in de tweede lijn.
Een eerstelijns verloskundige begeleidt zwangere vrouwen zolang alles normaal verloopt. Zij heeft een eigen praktijk of werkt in een praktijk. Wanneer blijkt dat een zwangerschap of baring niet helemaal normaal verloopt, maakt de verloskundige een inschatting van de aard en ernst van de complicaties. Dit wordt risicoselectie genoemd. Ze kijkt of er specialistische zorg nodig is en verwijst de vrouw dan door naar het ziekenhuis.
Verloskundigen die in het ziekenhuis werken, worden klinisch verloskundigen genoemd. Zij werken in de verloskamer, de polikliniek, de zwangerenafdeling of de kraamafdeling. Daar begeleiden ze zwangerschappen en bevallingen met een verhoogd risico. Ze werken zelfstandig onder de verantwoordelijkheid van de gynaecoloog.
De verloskunde kent ook nog een derde lijn: de zeer specialistische zorg die geboden wordt in academische ziekenhuizen, zoals en de opvang van zeer vroeggeborenen of zwangeren met een hoog risico indicatie.
Tekst: Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV)
Laatste wijziging: 18 juni 2009