Direct naar inhoud
www.kiesBeter.nl gebruikt analytische cookies om het gebruik van de website te analyseren en daarmee de website te kunnen verbeteren. Lees meer over cookies en hoe u cookies kunt uitschakelen. Sluiten

Trombose

Belangrijke thema's bij Trombose:

Ook wel: diepe veneuze ziekte, veneuze trombo-embolie

Trombose betekent dat er een bloedstolsel in een bloedvat zit. Daardoor kan het bloed niet goed doorstromen. Soms is het stolsel zo groot dat het een bloedvat helemaal afsluit. Het bloed kan er dan niet meer langs.

Trombose kan overal in het lichaam ontstaan. Maar het komt vooral voor in de benen. Dat komt omdat het bloed daar niet zo snel stroomt. U hebt dan een trombosebeen. Uw been wordt rood en dik en doet pijn.

Soms breekt een stukje van het bloedstolsel af. Dat wordt meegevoerd met het bloed. Verderop kan het vast komen te zitten in een nauwer bloedvat. Bijvoorbeeld in de longen. U hebt dan longembolie. Dat is levensgevaarlijk. Een deel van de longen krijgt geen bloed meer en kan afsterven. Daardoor kunt u niet meer goed ademen.

Trombose komt vooral voor in de aderen. Dat zijn de bloedvaten waardoor het bloed terugstroomt naar het hart. Het bloed stroomt er langzamer dan in de slagaderen. Trombose in een ader heet eigenlijk veneuze trombose. Dat betekent letterlijk: trombose van een ader.

Verberg

Symptomen van een trombosebeen:

  • Uw (onder)been is rood en gezwollen.
  • Een zwaar en vermoeid gevoel in uw been.
  • Het been doet pijn.
  • De aderen zijn opgezet.
  • Het been voelt warm aan.

Symptomen van longembolie:

  • Benauwdheid.
  • Pijn bij het ademen.
  • Slijm en bloed ophoesten.
  • Hartkloppingen.
  • De kans is groot dat u ook al een trombosebeen hebt. Dit is bij 2 op de 3 mensen met longembolie het geval.

Maar het is ook mogelijk dat u helemaal geen klachten hebt.

 

Verberg

Normaal stolt het bloed alleen als u een wondje hebt. Het lichaam maakt een stolsel aan en repareert daarmee het wondje. Zo voorkomt het lichaam dat u veel bloed verliest. Bij trombose is dit proces verstoord. Er ontstaat een bloedstolsel terwijl er geen bloeding is. Hiervoor zijn verschillende redenen:

Soms zijn de bloedvaten van binnen beschadigd. Het lichaam ziet die schade als een wondje en komt in actie. Het risico op schade aan de bloedvaten neemt toe door roken, diabetes, hoge bloeddruk en een hoog cholesterol.

In sommige situaties gaat het bloed trager stromen. Bijvoorbeeld als u lange tijd in bed moet blijven. Of als u een lange vliegreis maakt en uren stil moet zitten. Het risico op stolsels neemt dan toe. U kunt dit risico verminderen door beenoefeningen te doen. Daarmee stimuleert u de doorbloeding. U kunt bijvoorbeeld rondjes draaien met uw voet.

De stoffen in het bloed zijn precies met elkaar in evenwicht. Ze zorgen ervoor dat de bloedstolling op gang komt, maar ook weer op tijd stopt. Soms raakt dit evenwicht verstoord. Bijvoorbeeld door een ziekte als kanker. Of door medicijnen of de anticonceptiepil. Of door een erfelijke afwijking. Dan kunnen zomaar bloedstolsels ontstaan.

Verberg

De (huis)arts doet lichamelijk onderzoek. Hij bekijkt uw been of luistert aan uw borst. Ook stelt hij u een aantal vragen. Op basis van de antwoorden berekent hij hoe groot de kans op trombose is. Is het mogelijk dat u trombose hebt? Dan laat de arts uw bloed onderzoeken. Dit onderzoek heet de D-dimeertest. D-dimeren zijn stoffen die overblijven als het lichaam een bloedstolsel afbreekt.

Daarna kan de arts een echo laten maken. Dit onderzoek brengt de bloedstroom in beeld. Op een beeldscherm kan de arts de bloedvaten en het erdoorheen stromende bloed zien. Soms zijn nog andere onderzoeken nodig. Bijvoorbeeld een CT-scan.

U mag gewoon op het been staan en lopen. Een beetje bewegen is juist goed. Leg bij het zitten of liggen uw been wat hoger. Daardoor neemt de zwelling af. Veel mensen krijgen ook een verband om hun been. Het verband zit heel strak en duwt het vocht eruit. Deze manier van verbinden heet zwachtelen.

Daarnaast kan de arts antistollingsmiddelen (bloedverdunners) voorschrijven. Deze medicijnen remmen de bloedstolling.

Als de zwelling weg is, krijgt u een elastische steunkous. De kous zorgt ervoor dat het bloed voortaan beter doorstroomt. U moet de kous minstens twee jaar lang dragen. Iedere dag!

Lees meer over steunkousen.

 

De huisarts stuurt u direct door naar het ziekenhuis als hij aan longembolie denkt. Daar krijgt u medicijnen om het stolsel op te lossen. Ook krijgt u medicijnen om te voorkomen dat er een nieuw stolsel ontstaat.

Verberg

Het gevaar bestaat dat u opnieuw trombose krijgt. Uw arts helpt u om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Hij zal u aanraden om de steunkous minstens twee jaar te dragen. Ook adviseert hij u om veel te bewegen.

Bekijk een filmpje over bewegen na trombose.

De arts kan ook medicijnen voorschrijven. Het gaat om antistollingsmiddelen. U gaat regelmatig voor controle naar de huisarts als u deze medicijnen gebruikt. Bij een bepaald soort medicijnen (vitamine K-antagonisten) gaat u voor controle naar de trombosedienst.

Verberg

Ook wel: prikpost

U gaat naar de trombosedienst als u vitamine K-antagonisten (een bepaald soort medicijnen) gebruikt. De trombosedienst meet hoe snel uw bloed stolt. Die informatie is nodig om de juiste hoeveelheid medicijnen voor te kunnen schrijven.

De trombosedienst bepaalt de INR-waarde. INR staat voor International Normalized Ratio en is een waarde die zegt hoe snel het bloed stolt. De INR mag niet te laag zijn, want dan kunnen er stolsels ontstaan. Maar te hoog is ook niet goed. Dan is er het risico van bloedingen. Door de medicijnen komt de INR op het goede niveau.   

De INR-waarde schommelt. Dat komt omdat veel zaken invloed hebben op de bloedstolling. Bijvoorbeeld uw voeding, stress, alcohol en andere medicijnen. Daarom moet u regelmatig op controle te komen. De trombosedienst berekent dan hoeveel medicijnen u nodig hebt.

Zoek een trombosedienst bij u in de buurt.

Soms is het ook mogelijk om zelf thuis te meten. Hiervoor kunt u een speciale cursus volgen bij de trombosedienst. U leert dan ook zelf berekenen hoeveel medicijnen u nodig hebt. Dit heet zelfmanagement.

Lees meer over zelf meten en zelf doseren.

Verberg

Door trombose kan er schade ontstaan in de aderen. U houdt dan blijvende klachten over aan de trombose. Het bloed stroomt niet meer goed weg uit de benen. Dit heet het posttrombotisch syndroom.

Door het posttrombotisch syndroom kunt u last krijgen van:

  • Een moe en zwaar gevoel in uw benen.
  • Vocht in de benen. U herkent dit aan gezwollen enkels.
  • Een verkleurde huid. Er ontstaan roodbruine en witte vlekken op het been.
  • Spataderen.
  • Een open been.

Hoe vaker u trombose hebt, hoe groter de kans op het posttrombotisch syndroom. Zelf kunt u een en ander doen om het syndroom te voorkomen. Draag uw steunkous iedere dag. Volg alle adviezen van uw arts op.

Een steunkous helpt de klachten te verminderen. Heel soms is een medische ingreep nodig. Namelijk als er een afwijking in de ader zit. De ader is dan zo nauw dat er klachten ontstaan. De arts kan een stent plaatsen. Dat is een soort buisje dat de ader openhoudt. Voor deze ingreep gaat u naar een gespecialiseerd centrum.

Lees meer over het posttrombotisch syndroom.

Verberg

De volgende maatregelen helpen om nieuwe en blijvende klachten te voorkomen:

  • Draag de steunkous iedere dag. Ook op dagen dat het warm is en de kous niet prettig zit.
  • Gebruik uw medicijnen volgens voorschrift.
  • Beweeg voldoende. Daarmee verbetert de doorbloeding. U kunt ook oefeningen doen voor een betere doorbloeding. Bijvoorbeeld rondjes draaien met uw voeten. Uw huisarts of een fysiotherapeut kan u de oefeningen leren.
  • Draag gemakkelijke platte schoenen.
  • Draag geen knellende kleding.
  • Val af als u te zwaar bent. Overgewicht vertraagt de bloedstroom.
  • Leg uw benen hoog als u zit. Het bloed stroomt dan makkelijker terug.
  • Leef gezond. Daarmee houdt u uw bloedvaten gezond.

Lees meer adviezen om tromboseklachten te voorkomen.

Verberg

Consultkaart trombose of longembolie

Als u behandeld bent voor trombose of longembolie komt er een moment om te kijken hoe het verder gaat. Kunt u stoppen met medicijnen? Of juist niet? Of kunt u misschien van medicijn wisselen? Deze consultkaart geeft informatie. Die kan u en uw arts helpen om mogelijke behandelingen te bespreken.

Ga naar de consultkaart trombose of longembolie

Zoek contact met lotgenoten

Meer weten over trombose?

Bron: Hartstichting

Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op 11 juni 2018.

Deel deze pagina via: