Direct naar inhoud
www.kiesBeter.nl gebruikt analytische cookies om het gebruik van de website te analyseren en daarmee de website te kunnen verbeteren. Lees meer over cookies en hoe u cookies kunt uitschakelen. Sluiten

Urineverlies bij kinderen

Belangrijke thema's bij Urineverlies bij kinderen:

Ook wel: urine-incontinentie

Vrijwel alle kinderen zijn rond hun vijfde jaar zindelijk. Maar sommige kinderen hebben ook daarna nog moeite om hun plas op te houden. Ze plassen regelmatig in hun broek of in bed. Het gaat dan om ongewild urineverlies (ook wel: incontinentie).

Urineverlies kan verschillende oorzaken hebben. Meestal gaat het om functioneel urineverlies. Dit betekent dat het kind de spieren bij de blaas niet goed onder controle heeft. Heel soms heeft urineverlies een lichamelijke oorzaak. Bijvoorbeeld een afwijking in de spieren. Ook stress-incontinentie komt wel eens voor. Het kind verliest dan wat druppels urine als de druk (stress) op de blaas plotseling toeneemt.

Er zijn verschillende vormen van functioneel urineverlies:

Bij drang-incontinentie knijpt de blaas zich ineens samen. Daardoor moet uw kind plotseling heel nodig plassen. De aandrang is soms zo sterk dat het niet lukt om de plas op te houden. Uw kind moet ook heel vaak naar de wc. Vaak plast uw kind maar kleine beetjes. De blaas is nooit helemaal leeg.

Sommige kinderen negeren hun aandrang om te plassen. Bijvoorbeeld omdat ze net zo lekker aan het spelen zijn. Ze spannen de spieren bij de blaas steeds heel stevig aan om de plas binnen te houden. Daardoor kunnen ze deze spieren niet meer goed ontspannen als ze wel gaan plassen. Dan gebruiken ze hun buikspieren om de plas uit de blaas te duwen. Ook herkennen deze kinderen hun plasdrang steeds minder goed.

Soms ontspannen de spieren bij de blaas toch. Bijvoorbeeld in de slaap. Op die momenten verliest het kind urine.

Verberg

Naast urineverlies kunnen er nog andere problemen zijn:

  • Vaak blaasontsteking

Kinderen met functioneel urineverlies plassen vaak niet goed uit. Er blijft altijd wat urine achter in de blaas. De urine bevat veel bacteriën. Daardoor kan gemakkelijk een infectie ontstaan.

  • Problemen met poepen

Kinderen die hun plas steeds ophouden, nemen vaak ook niet genoeg tijd om te poepen. Daardoor kunnen problemen met de ontlasting ontstaan. Ze krijgen bijvoorbeeld harde poep of verstopping. Of ze verliezen niet alleen urine, maar af en toe ook wat ontlasting.

 

Verberg

Het lichaam verzamelt urine in de blaas. Hoe meer urine erin zit, hoe groter de blaas is. Onder aan de blaas zitten sluitspieren. Deze zorgen ervoor dat er geen urine uit de blaas loopt. Bij het plassen ontspannen de sluitspieren zich. Het is alsof de deuren van de blaas opengaan. De blaas zelf trekt zich op dat moment samen.

Bij kinderen met functioneel urineverlies werken de sluitspieren en de blaas niet goed samen. Bijvoorbeeld omdat het kind zichzelf verkeerd plasgedrag aangeleerd heeft. Bij drang-incontinentie is de blaas overactief. De spieren in de blaas trekken te snel samen. De oorzaak hiervan blijft vaak onduidelijk.

 

Verberg

De huisarts stuurt u door naar het ziekenhuis. U komt dan bij een kinderarts. Deze probeert erachter te komen om welke vorm van urineverlies het gaat. Daarom stelt hij veel vragen aan u en uw kind. Hij kan u ook vragen om een dagboekje bij te houden. U noteert hoe vaak en hoeveel uw kind plast, en wanneer het mis gaat. Daardoor krijgt de arts een beter beeld van de klachten.

De arts doet ook urine-onderzoek. Zo kan hij nagaan of uw kind een blaasontsteking heeft. Daarna volgt een plastest (uroflowmetrie) om de urinestraal te meten. Na de plastest maakt de arts een echo. Hij kan dan zien hoeveel urine er nog in de blaas zit. Soms is nog ander onderzoek nodig. Bijvoorbeeld om na te gaan of er lichamelijke afwijkingen zijn.

De behandeling bestaat uit blaastraining (ook wel: urotherapie). Uw kind leert om de tijd te nemen voor een plas. Een goede houding is ook belangrijk. Door rechtop te zitten is het mogelijk de blaas helemaal te legen.

Niet ieder kind heeft dezelfde klachten. Daarom gaat het om een training op maat. Het trainen gebeurt vooral thuis. Als ouder speelt u een belangrijke rol. U moet er bijvoorbeeld op letten dat uw kind ongeveer zeven keer per dag naar de wc gaat. Ook kunt u uw kind stimuleren om de training zo goed mogelijk te doen. U krijgt begeleiding van een blaastrainer (urotherapeut).

Soms schrijft de arts ook medicijnen voor. Bijvoorbeeld om een overactieve blaas te laten ontspannen. Of om het poepen makkelijker te maken.

Lees meer over gezond toiletgedrag.

Verberg
  • Word niet boos. Uw kind plast niet expres in zijn broek.
  • Probeer uw kind een keer of zeven per dag te laten plassen. Kinderen met drang-incontinentie plassen acht keer of meer op een dag. Zij leren hun plas langer op te houden.
  • Let erop dat uw kind goed op de wc zit. Bovenbenen plat op de bril, de voeten plat op de grond of een bankje.
  • Laat uw kind zachtjes fluiten, blazen of neuriën. De buikspieren kunnen dan niet worden aangespannen.
  • Geef uw kind voldoende te drinken: 1,5 liter per dag. Anders gaat het plassen lastig en kan uw kind last krijgen van verstopping.
  • Probeer uw kind aan te moedigen. Geef bijvoorbeeld een sticker als beloning als het een hele dag goed is gegaan.
Verberg

Lees ook op KiesBeter over

Meer weten over urineverlies bij kinderen?

Bron: Patiëntfolder Incontinentie bij kinderen

Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op 30 november 2017.

Deel deze pagina via: