Staat van bewusteloosheid waarbij de patiënt op aanspreken de ogen niet opent, geen eenvoudige opdrachten uitvoert en niet in woorden spreekt
Coma is een staat van bewusteloosheid waarbij het slachtoffer niet of nauwelijks reageert op prikkels van buitenaf, zoals licht, geluid en aanraking.
Er zijn verschillende niveaus van coma. Deze worden onderscheiden naar drie criteria (Glasgow comaschaal): ogen openen (spontaan/ bij aanspreken/ bij pijn/ geen reactie), beste motorische reactie aan de armen (bewegen op verzoek/ prikkels gericht afweren/ terugtrekken/ abnormaal buigen/ strekken/ geen reactie), en de verbale reactie (georiënteerd/ verward/ losse woorden/ kreunen/ geen reactie).
Vroeger volgde op een coma meestal de dood. Door de technologische ontwikkelingen kunnen tegenwoordig essentiële lichaamsfuncties, zoals de ademhaling, in stand worden gehouden met behulp van machines (zie Intensive care).
Coma treedt onder meer op als gevolg van hersenbeschadiging. Hoewel dit vaak behandelbaar is, kan ernstige schade onomkeerbaar en soms fataal zijn.
Zwaar hersenletsel of een aandoening waardoor er geen bloed meer naar de hersenen stroomt, zoals een ernstige beroerte (Beroerte) of een hartstilstand, kan genoeg schade veroorzaken om tot coma te leiden. Andere oorzaken zijn een infectie van de hersenen, zoals hersenvliesontsteking en virale encefalitis.
Zeer hoge of lage gehalten van bepaalde stoffen in het bloed kunnen eveneens coma veroorzaken. Bij diabetes kan coma optreden als het glucoseniveau van het bloed te veel stijgt of daalt. Deze oorzaak van coma is meestal omkeerbaar. Coma kan ook worden veroorzaakt door een overdosis medicijnen, overmatig alcoholgebruik of lever- of nierfalen.
Iemand die in bewusteloze toestand het ziekenhuis binnenkomt, wordt op verwondingen onderzocht en het functioneren van het zenuwstelsel wordt gecontroleerd. Daarbij let de arts vooral op het ademhalingspatroon, de lichaamshouding, de stand en de wijdte van de pupillen en de reactie van de pupillen op licht. Degene die is meegekomen, wordt gevraagd naar de toedracht en de mogelijke oorzaak.
De diepte van het coma wordt bepaald door responsen op stimuli zoals aanspreken of (stompe)pijnprikkels aan het gelaat en aan het nagelbed. Er wordt bloedonderzoek gedaan, ook om een mogelijke oorzaak op te sporen zoals een overdosis drugs, alcoholmisbruik of een te laag glucosegehalte. Als men vermoedt dat de comapatiënt een giftige stof heeft ingenomen, zal men mogelijk de maag leegpompen en de maaginhoud onderzoeken.
Bij vermoeden van drugs of een ander verdovend middel kan een antigif worden toegediend in afwachting van de uitslag van bloed- en/of urineonderzoek.
Met een MRI
of CT-scan kan naar tekenen van hersenschade worden gekeken.
Als hersenvliesontsteking wordt vermoed, kan een ruggenprik (ONDERZOEK: Ruggenprik (lumbaalpunctie)) worden uitgevoerd. Hierbij wordt ruggenmergvocht afgenomen en op infecties onderzocht.
De comapatiënt wordt meestal op de intensive care opgenomen (Op de intensive care (omgeving)). Kunstmatige beademing kan nodig zijn als er een ademhalingsstoornis is. Indien dat mogelijk is, wordt de oorzaak onmiddellijk behandeld. Bij een infectie kunnen bijvoorbeeld antibiotica worden gegeven.
Regelmatig wordt de mate van bewustzijn onderzocht. Meting van de druk in de schedel na een ongeval kan noodzakelijk zijn, omdat coma gepaard kan gaan met te hoge druk in de hersenen. Als de druk inderdaad stijgt, kunnen hiertegen medicijnen worden gegeven.
Als de hersenschade gering of omkeerbaar is, kan het slachtoffer bijkomen en geheel herstellen. Soms is het moeilijk de kans op een volledig herstel in te schatten.
Coma door ernstig hersenletsel kan tot langdurige neurologische problemen leiden. Hiertoe behoren plaatselijke spierzwakte en gedragsveranderingen, waarvoor revalidatie noodzakelijk is.
Als de beschadiging groot en onherstelbaar is, vooral als de hersenstam is getroffen, is er weinig kans op ontwaken en zal uiteindelijk de dood intreden. Soms komt een comapatiënt met zwaar hersenletsel in een vegetatieve toestand terecht (zie hierna).
- Leeftijd
- Geen factor van betekenis
- Geen factor van betekenis
- Geen factor van betekenis
- Geslacht
- Geen factor van betekenis
- Erfelijkheid
- Geen factor van betekenis
- Leefwijze
- Geen factor van betekenis