Het hart en de bloedsomloop vormen samen het transportsysteem van het lichaam. Het hart pomp het bloed door een stelsel van vaten. De grote bloedsomloop voert bloed voorzien van zuurstof, voedingstoffen en hormonen naar alle cellen. Via de kleine bloedsomloop gaat het bloed naar de longen, waar zuurstof wordt opgenomen en het afvalproduct kooldioxide wordt afgegeven. Andere afvalstoffen worden naar de lever vervoerd en verwerkt en worden door de nieren uitgescheiden.
Het hart pompt ongeveer elke minuut het totale bloedvolume van de mens (vijf liter) door het lichaam. Via de grote bloedsomloop wordt bloed dat zuurstof en voedingsstoffen bevat door de slagaders naar de weefsels en organen gepompt. De lichaamscellen absorberen de zuurstof en voedingsstoffen, terwijl het bloed de afvalproducten van de cellen opneemt voordat het via de aders weer terug naar het hart stroomt. Het zuurstofarme bloed wordt dan via de kleine bloedsomloop naar de longen gepompt. Nadat zuurstof is opgenomen en kooldioxide is afgegeven, stroomt het bloed weer naar het hart. Bij inspanning kan de snelheid van de bloedsomloop flink toenemen om aan de grotere zuurstofbehoefte van het lichaam te voldoen. De bloedtoevoer naar de spieren kan met een factor twaalf toenemen, terwijl het spijsverteringsstelsel op dat moment een derde minder bloed krijgt.
- Bloedtoevoer naar het hart
- Op deze röntgencontrastfoto is het uitgebreide netwerk van kransslagaders die zuurstofrijk bloed naar de hartspier transporteren, goed te zien.

Het hart is een spier ter grootte van een gebalde vuist; het ligt in het midden van de borst, enigszins ter linkerzijde. Het is in twee helften verdeeld. Elke helft bestaat uit een boezem (atrium) en een kamer (ventrikel). De boezems verzamelen bloed uit de diverse delen van het lichaam, terwijl de kamers het bloed het hart uit pompen. Zowel boezems als kamers zijn verbonden met een of meer bloedvaten. Het grootste bloedvat is de aorta, die de diameter van een tuinslang heeft. Door krachtige contracties van de kamers wordt het bloed uit het hart geperst, in rust ongeveer zeventig keer per minuut. De pompfrequentie wordt de hartslag genoemd en wordt in slagen per minuut gemeten. Na elke slag gaat er een drukgolf met bloed door de slagaders, waardoor hun wanden uitzetten. Deze golf, de pols, is te voelen op plekken waar de slagaders dicht onder de huid liggen. Tussen de drukgolven in trekken de elastische wanden van de slagaders zich weer samen.
De hartspier (myocard)moet 24 uur per dag zonder rustpauze blijven doorwerken. De spiercellen van het hart bevatten daarom meer en grotere energieproducerende celorganellen (mitochondriën) dan andere soorten lichaamscellen.
- Een kleine slagader
- De wand van een slagader is uit lagen spierweefsel en elastische vezels opgebouwd. Ook zijn rode bloedlichaampjes in de ader zichtbaar.

De hartslag wordt gereguleerd door elektrische prikkels van de gangmaker van het hart, de sinusknoop, een klein stukje zenuwweefsel in de wand van de rechterboezem. Elke prikkel leidt tot een snelle opeenvolging van contracties, eerst in de boezems en vervolgens in de kamers. Samen vormen deze contracties een hartslag. De bloeddruk hangt af van de frequentie en de kracht van de contracties, de hoeveelheid bloed die wordt weggepompt en de weerstand die het bloed in de bloedvaten ondervindt. De weerstand wordt bepaald door de afmetingen van de bloedvaten. De hartslag en bloeddruk worden geregeld door het zenuwstelsel, dat direct ingrijpt, en door hormonen, die langdurig invloed uitoefenen.