Afwijkingen in de snelheid van de hartslag en/of van het hartritme
Bij een volwassene in rust slaat het hart normaal met 50 tot 90 slagen per minuut. Zowel de snelheid van de hartslag als het hartritme kunnen bij hartritmestoornissen afwijken en zowel de beide boezems als de beide kamers kunnen getroffen zijn. Er bestaan twee soorten hartritmestoornissen: tachycardie, waarbij het hart te snel slaat, en bradycardie, waarbij het hart te langzaam slaat. Tachycardie kan zowel in de boezems als in de kamers ontstaan en kan regelmatig of onregelmatig zijn. Als tachycardie zich in de kamers voordoet, kan dat overgaan in kamerfibrilleren, een ernstige vorm van hartritmestoornis die tot een hartstilstand kan leiden. Sinusbradycardie en hartblok zijn vormen van bradycardie. Hartritmestoornissen worden meestal door aandoeningen aan het hart en de bloedvaten veroorzaakt. Een hartslag die buiten het normale bereik ligt, is niet altijd reden tot bezorgdheid. Een snelle hartslag is normaal bij inspanning en zwangerschap, en getrainde mensen hebben in rust een langzamere hartslag dan normaal.
Hartritmestoornissen verminderen de efficiëntie van het hart, waardoor er soms te weinig bloed naar de hersenen stroomt. Hoewel hartritmestoornissen tot alarmerende klachten, zoals een bonzend hart, kunnen leiden, zijn niet alle vormen ernstig.
De meeste hartritmestoornissen worden veroorzaakt door aandoeningen aan hart of bloedvaten. De meest voorkomende onderliggende oorzaak is een coronaire hartziekte, waardoor er minder bloed naar het hart stroomt en dus ook het elektrische systeem dat de hartslag regelt, te weinig zuurstof krijgt. Soms zijn diverse Hartklepafwijkingen en ontsteking van de hartspier (zie Endo-/myocarditis, Myocarditis) de oorzaak. Sommige typen hartritmestoornissen zijn vanaf de geboorte aanwezig en worden veroorzaakt door hartafwijkingen, bijvoorbeeld door een abnormale elektrische baan tussen de boezems en de kamers. De oorzaak voor hartritmestoornissen kan ook buiten het hart liggen, bijvoorbeeld in een onbalans van de schildklierhormonen (zie Hyperthyreoïdie, en Hypothyreoïdie) of van de bloedsamenstelling door bijvoorbeeld een teveel aan kalium. Sommige medicijnen, bijvoorbeeld luchtwegverwijdende middelen en digitalis, maar ook de medicijnen tegen hartritmestoornissen zelf kunnen hartritmestoornissen veroorzaken, evenals cafeïne en tabak.
Er zijn niet altijd klachten, maar als ze optreden, ontwikkelen ze zich meestal plotseling. De belangrijkste klachten zijn:
- hartkloppingen (zich bewust zijn van een onregelmatige hartslag);
- een licht gevoel in het hoofd, soms met verlies van bewustzijn tot gevolg;
- kortademigheid;
- pijn op de borst of in de kaken.
Beroerte en hartfalen zijn mogelijke complicaties.
De arts kan op grond van uw klachten hartritmestoornissen vermoeden en uw pols controleren. Daarnaast kan de arts een elektrocardiogram (Elektrocardiografie () laten maken om de elektrische activiteit van het hart te bekijken. Omdat sommige hartritmestoornissen niet constant aanwezig zijn, wordt er een ECG gedurende 24 uur gemaakt of krijgt u een draagbaar apparaat mee (zie Ambulant ). Ook kan onderzoek worden gedaan naar abnormaliteiten in de elektrische banen van het hart (Elektrofysiologisch onderzoek van het hart (test en behandeling)).
Hartritmestoornissen kunnen soms met medicijnen worden behandeld. In andere gevallen worden elektrische schokken toegediend om een normale hartslag te herstellen (zie Defibrilleren, Defibrilleren (behandeling)). Abnormale banen van de elektrische prikkels kunnen worden uitgeschakeld met een techniek die ablatie wordt genoemd en gelijktijdig met het elektrofysiologische onderzoek kan worden uitgevoerd. Als de hartslag te langzaam is, kan er een pacemaker worden ingebracht om het hart te stimuleren en een normale frequentie te herstellen (zie Pacemaker, Pacemaker (behandeling)).
De prognose van hartritmestoornissen hangt van het type stoornis af. Boezemtachycardie is meestal niet ernstig en heeft geen invloed op de levensduur, maar kamertachycardie is een levensbedreigende hartritmestoornis die acuut moet worden behandeld.
- Leeftijd
- Komt vaker bij oudere mensen voor
- Risicofactoren afhankelijk van het type
- Geen factor van betekenis
- Erfelijkheid
- Risicofactoren afhankelijk van het type
- Leefwijze
- Risicofactoren afhankelijk van het type
- Geslacht
- Geen factor van betekenis